De Europese geschiedenis van Suriname begon aan het einde van de vijftiende eeuw, toen Spaanse ontdekkingsreizigers de kust van de Guyana’s verkenden. Rond 1600 vestigden verschillende Europese handelsmaatschappijen de eerste handelsposten langs de Surinaamse kust.
De daadwerkelijke kolonisatie begon in 1651, toen de Engelse gouverneur Francis Willoughby vanuit Barbados Engelse kolonisten en suikerplanters naar Suriname stuurde. Zij legden de eerste suikerplantages aan, die werden bewerkt door tot slaaf gemaakte Afrikanen.
Deze periode vormde het begin van de plantage-economie die de geschiedenis en ontwikkeling van Suriname eeuwenlang zou bepalen. In 1667 kwam Suriname, na de Vrede van Breda, officieel in handen van Nederland en bleef het tot de onafhankelijkheid in 1975 een Nederlandse kolonie.
In 1667 veroverde een Zeeuwse vloot onder leiding van Abraham Crijnssen de Engelse kolonie Suriname. Daarmee kwam een einde aan het Engelse bestuur dat sinds 1651 had bestaan.
Later dat jaar werd tijdens de Vrede van Breda de bestaande situatie officieel vastgelegd. Suriname bleef in Nederlandse handen, terwijl Engeland de controle behield over Nieuw-Nederland, waaronder de nederzetting Nieuw-Amsterdam (het huidige New York).
Hoewel vaak wordt gezegd dat Suriname werd “geruild” voor New York, is dat historisch niet helemaal juist. Het Verdrag van Breda bekrachtigde vooral de feitelijke machtsverhoudingen die tijdens de oorlog al waren ontstaan, in plaats van een directe uitwisseling van beide gebieden.
Tijdens de Napoleontische Oorlogen kwam Suriname opnieuw korte tijd onder Brits bestuur. In 1799 en opnieuw in 1804 namen de Britten de kolonie in om te voorkomen dat deze in Franse handen zou vallen, aangezien Nederland destijds onder sterke Franse invloed stond.
Na de nederlaag van Napoleon Bonaparte en de daaropvolgende vredesonderhandelingen werd in het Verdrag van Londen (1814) vastgelegd dat Suriname werd teruggegeven aan Nederland. In 1816 vond de officiële overdracht plaats en kwam de kolonie weer onder Nederlands bestuur.
Vanaf dat moment bleef Suriname een Nederlandse kolonie tot het land op 25 november 1975 onafhankelijk werd.
Na de vestiging van het Nederlandse koloniale bestuur trokken kolonisten, bestuurders en handelaren vanuit Nederland naar Suriname. Via de West-Indische Compagnie (WIC) – en niet de VOC – ontwikkelde de handel zich snel en werden langs de rivieren talrijke plantages aangelegd voor de productie van suiker, koffie, cacao en katoen.
Aanvankelijk werden inheemse bewoners ingezet voor werkzaamheden op de plantages. Door de zware arbeidsomstandigheden, ziekten die door Europeanen waren meegebracht en andere ingrijpende gevolgen van de kolonisatie, nam hun aantal sterk af.
Daarop werden vanaf de zeventiende eeuw honderdduizenden tot slaaf gemaakte Afrikanen via de trans-Atlantische slavenhandel, onder meer via West-Afrika en het Caribisch gebied, naar Suriname vervoerd. Deze gedwongen slavernij vormt een van de donkerste hoofdstukken uit de Nederlandse en Surinaamse geschiedenis.
Suriname bleef vervolgens een Nederlandse kolonie tot het land op 25 november 1975 zijn onafhankelijkheid verkreeg.
Op 25 november 1975 werd Suriname onafhankelijk en ontstond de Republiek Suriname. In de periode rond de onafhankelijkheid besloten veel Surinamers naar Nederland te verhuizen. Als inwoners van het Koninkrijk der Nederlanden konden zij destijds onder bepaalde voorwaarden de Nederlandse nationaliteit behouden of verkrijgen en zich in Nederland vestigen.
Met deze emigratie vertrokken ook veel hoogopgeleide professionals, waardoor Suriname te maken kreeg met een aanzienlijk verlies aan kennis en ervaring.
Tegenwoordig woont een grote Surinaamse gemeenschap in Nederland. Volgens recente schattingen hebben ruim 350.000 mensen in Nederland een Surinaamse achtergrond. Ook nu kiezen sommige Surinamers, onder meer vanwege economische omstandigheden of studie- en werkmogelijkheden, ervoor om naar Nederland te emigreren, terwijl anderen juist terugkeren om zich opnieuw in Suriname te vestigen.
Na de onafhankelijkheid in 1975 kreeg Suriname te maken met grote economische en politieke uitdagingen. De economie verslechterde, terwijl beschuldigingen van corruptie, wanbeleid en machtsmisbruik steeds vaker naar voren kwamen.
Op 25 februari 1980 pleegden een groep onderofficieren van het Surinaamse Nationaal Leger, onder leiding van Desi Bouterse, een militaire staatsgreep. Deze gebeurtenis staat bekend als de Sergeantencoup.
In eerste instantie werd de machtswisseling door een deel van de bevolking positief ontvangen. Veel Surinamers hoopten dat de nieuwe machthebbers een einde zouden maken aan de politieke problemen, corruptie en bureaucratie. Deze hoop veranderde echter toen het militaire regime steeds autoritairder werd en de politieke situatie verslechterde.
Door de steeds autoritairdere wijze van regeren ontstond er vanuit verschillende maatschappelijke groepen steeds meer verzet tegen het militaire bewind van Desi Bouterse en zijn beleid.
Op 8 en 9 december 1982 werden vijftien prominente tegenstanders van het militaire regime naar Fort Zeelandia gebracht en daar zonder proces geëxecuteerd. Deze gebeurtenis staat bekend als de Decembermoorden en vormt een ingrijpend hoofdstuk in de moderne geschiedenis van Suriname.
Na deze gebeurtenissen nam het kabinet ontslag en besloot Nederland de ontwikkelingshulp aan Suriname op te schorten. De binnenlandse en internationale kritiek op het militaire bewind nam sterk toe, terwijl de onvrede onder de bevolking over de koers van de legerleiding verder groeide.
In 1986 ontstond in het binnenland van Suriname een gewapend conflict tussen het Nationale Leger en het Junglecommando, dat onder leiding stond van Ronnie Brunswijk, een voormalige lijfwacht van Desi Bouterse.
De strijd, die bekendstaat als de Binnenlandse Oorlog, vond voornamelijk plaats in Oost-Suriname, met name rond gebieden waar veel Marrongemeenschappen woonden en in de omgeving van de bauxietwinning. Het conflict had grote gevolgen voor de lokale bevolking en de infrastructuur in het binnenland.
Door het geweld en de onveiligheid zagen veel Marrons zich genoodzaakt hun dorpen te verlaten. Een groot aantal vluchtte naar het buurland Frans-Guyana, waar zij tijdelijk of langdurig onderdak vonden.
In 1987 werden in Suriname opnieuw democratische verkiezingen gehouden. De door Desi Bouterse opgerichte Nationale Democratische Partij (NDP) verloor deze verkiezingen van het Nieuw Front voor Democratie en Ontwikkeling (NF), een samenwerkingsverband van verschillende politieke partijen.
Hoewel er weer een burgerregering aan de macht kwam, bleef de invloed van de legerleiding en Bouterse groot. In het binnenland bleef de situatie onrustig. Verschillende inheemse groepen keerden zich tegen het beleid van de regering en voelden zich onvoldoende vertegenwoordigd.
Op 24 december 1990 maakte het Nationale Leger opnieuw een einde aan de zittende regering. Deze machtswisseling staat bekend als de telefooncoup. Met een telefoongesprek liet legerbevelhebber Ivan Graanoogst namens de legerleiding weten dat president Ramsewak Shankar en zijn regering moesten vertrekken.
In 1991 werden opnieuw verkiezingen gehouden in Suriname. Het Nieuw Front voor Democratie en Ontwikkeling behaalde de meerderheid van de zetels. Deze politieke samenwerking bestond uit verschillende partijen, waaronder de Nationale Partij Suriname (NPS), de Vooruitstrevende Hervormings Partij (VHP), de Kerukunan Tulodo Pranatan Inggil (KTPI) en de Surinaamse Partij van de Arbeid (SPA).
Ronald Venetiaan, voormalig minister van Onderwijs, werd gekozen tot president van Suriname. Onder zijn bestuur werden de banden met Nederland opnieuw aangehaald en werd het Raamverdrag met Nederland verder benut om economische en maatschappelijke ontwikkeling te ondersteunen.
Ondanks het herstel van de democratie en de hervormingen met internationale steun bleef de economische groei beperkt. Suriname bleef kampen met financiële problemen, waardoor verdere ontwikkeling langzaam op gang kwam.
Na de verkiezingen van 1996 behaalde de Nationale Democratische Partij (NDP) van Desi Bouterse een overwinning. Jules Wijdenbosch werd vervolgens president van Suriname.
Tijdens zijn regeerperiode werden grote investeringen gedaan in infrastructuur, waaronder de bouw van de Jules Wijdenboschbrug over de Surinamerivier. Deze brug, die Paramaribo met het district Commewijne verbindt, verbeterde de bereikbaarheid van het gebied aanzienlijk. De financiering van deze en andere projecten zorgde echter voor een sterke stijging van de staatsschuld en leidde tot grote economische zorgen.
Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) uitte kritiek op het financiële beleid van de regering. Tegelijkertijd groeide de maatschappelijke onvrede en gingen tienduizenden Surinamers de straat op om het aftreden van de president te eisen. Wijdenbosch bleef aanvankelijk aan.
Na de verkiezingen van mei 2000, waarbij de NDP en Wijdenbosch een grote nederlaag leden, trad hij af als president. Later ontstond er ook ophef over persoonlijke schulden die hij met creditcards zou hebben opgebouwd. Volgens de Centrale Bank van Suriname ging het om een bedrag van ongeveer 300.000 Amerikaanse dollar, terwijl Wijdenbosch zelf sprak over een aanzienlijk lager bedrag.
Na de verkiezingen van 2000 behaalde het Nieuw Front voor Democratie en Ontwikkeling de overwinning en werd Ronald Venetiaan opnieuw president van Suriname. Ook bij de verkiezingen van 2005 wist het Nieuw Front voldoende steun te behouden en begon Venetiaan aan zijn derde ambtstermijn als president.
Tijdens deze periode stond economisch herstel centraal. De nieuwe regering erfde opnieuw een moeilijke financiële situatie: de staatsfinanciën waren sterk verzwakt en Suriname kampte met grote economische problemen. Door bezuinigingen, hervormingen en financieel beleid werd geprobeerd de economie weer stabiel te maken.
Rond 2010 leek Suriname economisch weer perspectief te krijgen, mede dankzij gunstige ontwikkelingen in de grondstoffensector. Toch verloor de zittende regering de verkiezingen van dat jaar aan de Nationale Democratische Partij (NDP) onder leiding van Desi Bouterse.
Een deel van de bevolking was van mening dat de offers en hervormingen die tijdens het herstelproces waren gevraagd, onvoldoende zichtbaar waren in het dagelijks leven. Hierdoor kreeg de NDP brede steun en kwam Bouterse opnieuw aan de macht, ditmaal via democratische verkiezingen.
In augustus 2010 verloor het Nieuw Front voor Democratie en Ontwikkeling de verkiezingen. De Mega Combinatie, onder leiding van Desi Bouterse, werd de grootste politieke machtsgroep in Suriname.
Door steun van onder andere de ABOP van Ronnie Brunswijk en de PL (Pertjajah Luhur) van Paul Somohardjo kon Bouterse een coalitieregering vormen. Vervolgens werd hij gekozen tot president van de Republiek Suriname.
Onder zijn regering veranderde de relatie met Nederland. De diplomatieke betrekkingen werden teruggebracht tot een meer zakelijk niveau.
Bij de verkiezingen van 2015 wist de NDP opnieuw de grootste partij te worden. Mede dankzij steun van coalitiepartners, waaronder de ABOP, Pertjajah Luhur en BEP, begon Bouterse aan zijn tweede presidentiële termijn.
Tijdens deze periode verslechterde de economische situatie sterk. De Surinaamse dollar (SRD) verloor aanzienlijk aan waarde, terwijl de staatsschuld toenam doordat de overheid veelvuldig leningen aanging om tekorten te financieren. De gevolgen waren zichtbaar in onder meer de economie, infrastructuur en gezondheidszorg.
De economische crisis zorgde voor toenemende sociale verschillen: een deel van de bevolking wist zich financieel te handhaven, terwijl veel anderen moeite kregen om rond te komen. Ook kreeg Suriname internationaal te maken met reputatieschade door zorgen over criminaliteit en drugshandel. Kredietbeoordelaars verlaagden de kredietwaardigheid van het land tot een zeer laag niveau.
Bij de verkiezingen van mei 2020 verloor de Nationale Democratische Partij (NDP) van Desi Bouterse de macht. De Vooruitstrevende Hervormings Partij (VHP), ABOP, NPS en Pertjajah Luhur vormden gezamenlijk de nieuwe regeringscoalitie.
Op 16 juli 2020 werd Chandrikapersad Santokhi, voormalig politiecommissaris en oud-minister van Justitie, beëdigd als president van de Republiek Suriname.
De nieuwe regering erfde een moeilijke financiële situatie. Suriname kampte met hoge binnenlandse en buitenlandse schulden, een verzwakte economie en een laag vertrouwen van internationale financiële instellingen. Net als eerdere herstelregeringen stond de regering-Santokhi voor de grote uitdaging om de economie te stabiliseren en het vertrouwen in het land te herstellen.
Onder president Santokhi werden de diplomatieke betrekkingen met Nederland verder verbeterd en opnieuw uitgebreid tot het niveau van volwaardige ambassadeursrelaties. Daarnaast werd samenwerking gezocht met internationale partners om Suriname economisch weer perspectief te bieden.